|
Main
- books.jibble.org
My Books
- IRC Hacks
Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare
External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd
|
books.jibble.org
Previous Page
| Next Page
Page 64
HOOFDSTUK 9
Nog eenmaal IJselstein
Reeds langer dan een jaar had het beleg geduurd, en nog altoos hield
Bertha den strijd vol. Wel begonnen de muren te waggelen, wel was
reeds de hoofdpoort tot puin ineengestort, maar nog altoos wapperde
Gijsbrechts vaandel van den toren en nog altoos weerklonk het bij
elken aanval van de muren: "Voor IJselstein en Bertha!"
Maar die kreet, eerst zoo schrikwekkend in de ooren der vijanden,
was langzamerhand zwakker geworden--en klonk nu nog slechts als
de echo van dien uit vroeger dagen.
Hoor, onophoudelijk rammeien de vijanden de muren, hier en ginds,
zelfs op verscheidene plaatsen tegelijk. Waarom trekken de dappere
strijders niet als vroeger de poort uit en jagen den vijand als kaf
voor zich heen en doen de belegeringswerktuigen door vernielende
vlammen verteren? Zien zij dan niet, hoe de vijand met driest geweld
en ongestoord de muren aan gruis beukt en weldra door de gemaakte
bres naar binnen zal dringen met het zwaard in de vuist, dood en
verderf brengend?
Ach, Bertha zoowel als hare moedige verdedigers weten het, welk
lof hun boven het hoofd hangt, maar zij zijn niet bij machte om
den vijand langer afdoenden weerstand te bieden. IJselstein is een
kerkhof geworden! Behalve de vrouwen en kinderen, die door ziekte of
door een ne�rploffenden steen getroffen, den geest hebben gegeven,
liggen vijfentachtig dappere mannen op de binnenplaat, s begraven. Nog
slechts zestien strijders, met Jonker Jan van Asperen aan het hoofd,
verdedigen den burcht. Aan een uitval kunnen zij niet meer denken. De
vijand zou hen verpletteren. Ongestoord kan deze voortgaan de muren
te verbrijzelen.
En dat is nog niet alles. Het ergste is eindelijk ook gekomen. De
voorraad levensmiddelen raakt uitgeput; de volle schuren zijn leeg
geworden. Bertha heeft bevolen, dat elk zich moet matigen. Niemand
kan meer zooveel krijgen, als hij noodig heeft. De honger doet zich
gevoelen en blijkt scherper te zijn dan een tweesnijdend zwaard. Het
ongelukkige IJselstein, zoo moedig verdedigd, nadert zijn val. Bertha
weet het. Maar toch heeft nog niemand een traan in haar oog gezien,
toch spreekt zij haren mannen nog moed in en wijst hen vol fierheid
op IJselsteins wapen aan den toren. Haar moed houdt dien bij hare
krijgers staande, en als zij op de muren verschijnt, klinkt het nog
altoos met geestdrift: "Voor IJselstein en Bertha!"
Neen, nog niemand heeft haar zwak gezien of kleinmoedig. Hare
verschijning schenkt nog altijd nieuwe kracht aan de uitgeputte mannen.
Maar nu, nu zij zich heeft teruggetrokken in de duistere eenzaamheid
van haar vertrek, want het is avond, zie, nu vloeien de tranen
rijkelijk langs hare bleeke wangen, en ontsnapt zucht op zucht aan
haar geprangden boezem. Aan de hevigste smart ten prooi werpt zij
zich op de knie�n en heft de handen ten hemel.
En toch is het niet om zichzelve, dat zij schreit. Neen, 't is niet
in de eerste plaats uit eigenbelang, dat zij God om hulp en redding
smeekt. 't Is deernis met het lot der dapperen, die haar met zooveel
voorbeeldige trouw hebben verdedigd, om wie zij den Hemelschen Vader
aanroept en om wie zij wanhopig de handen wringt. Wat zal het lot
zijn dier ongelukkigen, als Vianen eenmaal meester is in den burcht
en zich ongestraft kan wreken over zooveel kloekmoedig verzet? De
arme vrouw mag er niet aan denken. En toch is de burcht niet langer
te behouden; weldra zal hij moeten vallen voor de macht van den
bloeddorstigen overweldiger.
En nog meer wordt haar hart van droefheid vervuld, als het beeld
van haar geliefden Gijsbrecht haar voor de oogen komt. Dan krimpt
haar hart pijnlijk te zamen, dan klopt het bloed haar in de slapen,
dan zou zij haar verdriet, haar angst, haar ongeluk wel lucht kunnen
geven in een allesdoordringenden kreet, "O, God, o, God," kermt zij
dan, terwijl zij voor haar arm hoofd een steun zoekt op den grond,
"O God, o God, heb genade! Laat hem niet sterven van ellende en
gebrek in een vreeselijken kerker, o, ik bid U, laat mij hem nog
��nmaal zien, voor mijn en zijn dood, nog ��nmaal, Vader in den
Hemel, slechts ��nmaal! Ach, Gij weet, hoe onuitsprekelijk ik naar
hem verlang. Laten wij niet voor altoos gescheiden zijn!" ...
Bertha weent bittere tranen, maar plotseling springt zij op. Met
een akeligen blik heft zij dreigend den arm op. Ja, zij kan zich
wreken! Heeft zij dan niet het kind, het eenige kind van haar vijand
in hare macht?
Previous Page
| Next Page
|
|