Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden by Kieviet


Main
- books.jibble.org



My Books
- IRC Hacks

Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare

External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd

books.jibble.org

Previous Page | Next Page

Page 62

"Dat kon waar zijn!" meenden de anderen, en spoedig werd de dikke
keldermeester aan alle kanten bevoeld en betast.

"Ik voel al iets," riep er een. "De brave man draagt ze zorgvuldig
tusschen zijne kleederen op de borst. Wacht Coentje, laten we eens
kijken, wat je daar hebt."

Behendig werden zijne kleederen losgemaakt, en waarlijk, daar kwamen
de langgezochte sleutels voor den dag. De oude minstreel greep ze
haastig aan en verborg ze onder zijn mantel.

"Nu naar beneden!" riep hij. "Maar laten we voorzichtig zijn. Neem jij
de lamp mede, Wolfgang, en doof haar uit. Kunt ge straks licht maken?"

"Dat is in orde," klonk het antwoord.

"Laten we dan gaan," gebood de minstreel. "Past allen op, dat er
geen leven gemaakt wordt. Het minste geritsel kan ons verraden en
-- het leven kosten. Neemt het zwaard in de hand, en denkt er om:
geen genade, voor wie ons in den weg mocht staan. Voorwaarts!"

Behoedzaam daalden zij de trap af, die naar de onderaardsche gewelven
voerde. Eene kille, benauwde lucht kwam hun te gemoet. Langzaam slopen
zij verder, de lange gang door. Hoe zacht zij zich ook bewogen, toch
klonken de voetstappen daar hol, en werden door de hooge gewelven
angstwekkend teruggekaatst. De grijsaard ging aan de spits. Hij
hield zijn adem bijna in. Zijn hart klopte hem onstuimig in de
borst. Eindelijk stond hij stil.

"We zijn aan het einde van de gang," fluisterde hij, "en bevinden
ons hier ongetwijfeld vlak bij de kerkers. Zouden we geen licht maken?"

"'t Zal het beste zijn. In donker althans kunnen we niets doen. Ik
geloof, dat we hier geheel alleen zijn. Niemand zal het ons kwaad
maken."

"Dat is zoo," sprak de grijsaard, "maar licht is gevaarlijk. Toch
moet het, Wolfgang."

Spoedig was de lamp aangestoken. Haar flikkerend, rosachtig licht
verspreidde zijn flauw schijnsel door de gewelven.

"Ha, daar zie ik de deuren," mompelde de minstreel, met den vinger
naar een donkeren hoek wijzende. "Welke zal nu de goede zijn? Maar
hoor, wat is dat voor een gedruisch? Doof het licht!"

Dat geschiedde op hetzelfde oogenblik, en vol spanning luisterde het
zestal of er ook onraad was.

Maar neen. 't Was slechts een steen, die losgeraakt, met een donderend
geraas van het gewelf nederviel.

Rommelend verloren de echo's zich in de holle ruimte. Toch waagden
zij zich nog niet verder. Angstvallig luisterden zij, of zij ook iets
verdachts hoorden. Maar alles bleef stil.

"Laten we niet langer dralen," sprak de minstreel. "Ontsteek het
licht opnieuw, Wolf, en laten we voortmaken. Hoe langer we talmen,
hoe grooter het gevaar voor ontdekking wordt. Zie zoo, nu kunnen we
weer zien. Laten we de versie deur het eerst nemen, of nog beter,
breng uw licht bij den grond. Misschien vinden wij dan sporen van
voetstappen. Ha, hier zie ik al iets. Deze deur zullen we nemen."

Bevende van spanning en ongeduld nam de grijsaard de sleutels
en beproefde het slot te openen, wat hem niet dan na lang zoeken
gelukte. Hoor, wat kraste dat slot, en wat snerpten die hengsels,
nu hij de breede, met ijzer beslagen deur opende.

Haastig trad hij, door zijne begeleiders gevolgd, het hol binnen. Eene
walgelijke, vunzige lucht deed hen het hoofd met af keer omwenden.

Maar spoedig overwonnen zij dien afkeer en traden binnen. Wolfgang
hield de lamp omhoog, opdat het flauwe licht zooveel mogelijk overal
zou doordringen.

Daar verrees eene zwakke, uitgeteerde gedaante van den grond. Hij
strekte de handen uit. Lange haren golfden hem tot midden op den rug
en zijn baard hing hem halverwege de borst.

"Wie zijt gij, en wat komt gij doen?" riep hij hun toe. Doch hij
kreeg geen antwoord op zijne vragen. Ontzet stond de grijsaard voor
hem en staarde hem wezenloos aan. Wat? Was die uitgemergelde, bleeke
man, met die ingevallen kaken en die holle oogen, de eertijds zoo
krachtige Heer Gijsbrecht, de fiere overwinnaar van het tournooispel te
Heukelom? Hadden die strakke oogen vroeger gefonkeld, toen hij zijne
dienaren ten strijde opriep, om den moord op Graaf Floris gepleegd,
te wreken? Hadden die vermagerde vingers toen zoo krachtig het zwaard
omklemd? Neen, heen, hij kon het niet gelooven.

Previous Page | Next Page


Books | Photos | Paul Mutton | Wed 30th Sep 2026, 8:29