Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden by Kieviet


Main
- books.jibble.org



My Books
- IRC Hacks

Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare

External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd

books.jibble.org

Previous Page | Next Page

Page 57

Alleen de minstreel zelf is een grijsaard. Zijn uiterlijk teekent hem
als een man, die de zestig reeds lang achter zich moet hebben. Hij
heeft een eerwaardig voorkomen. Zijne zilverwitte haren hangen
hem in golvende lokken over de schouders, zijn lange baard reikt
hem tot op de borst. Diepe rimpels bedekken zijn gelaat, en zijne
handen trillen eenigszins van ouderdom. Hij heeft een voorkomen, dat
onwillekeurig eerbied afdwingt. Zijn lange mantel, die hem tot bijna
op de hielen neerhangt, is van een vreemden snit en doet vermoeden,
dat de grijsaard uit vreemde landen afkomstig is, of althans dat hij
die bereisd heeft. De last der jaren heeft zijn rug gebogen.

De gasten worden nieuwsgierig.

Langzaam treedt de grijsaard nader, tot hij midden voor de gasten
staat. Dan maakt hij eene eerbiedige buiging en zegt met zachte stem:

"Hebt mijn groet, edele en machtige Heeren. Ontvangt de hulde van uw
nederigen dienaar!"

"Van waar komt ge, zanger?" vraagt Aloud, die, evenals zijne gasten,
nieuwsgierig is, iets naders van den vreemden grijsaard te hooren.

"Vanwaar ik kom, Edele Heer?" herhaalt de grijsaard zacht, terwijl
een fijn lachje zijne lippen plooit, "ik kom van overal. Gansch
Europa heb ik doorreisd, en mijne kunst heeft mij toegang verschaft
tot alle hoven, zelfs tot die van de machtigste vorsten der aarde. Het
laatst; echter kom ik van het hof des Graven; Heer Wolfert van Borselen
heeft mij de groeten medegegeven voor zijn trouwen vriend Heer Aloud,
's Graven Baljuw."

En langzaam laat hij zijne oogen onder de menigte ronddwalen, als om
den eigenaar van dien naam te zoeken.

"Van den Heer van Borselen?" roept Aloud verrast en verheugd uit. "En
droeg hij u op, mij zijne groeten over te brengen?"

"Ik heb het gezegd, Edele Heer!" hernam de grijsaard met waardigheid,
als was hij beleedigd door die vraag.

"En ik wil uwe woorden geenszins in twijfel trekken, oude," hernam
Heer Aloud, die zich in de hoogste mate gestreeld voelde door de
vereerende boodschap, welke de grijsaard hem overbracht. "Integendeel,
heb dank voor uwe tijding. Gij zult over uw bodeloon tevreden zijn."

Maar plotseling heft de grijsaard zich op uit zijne gebogen
houding. Zijne donkere oogen fonkelen van toorn.

"Dat bodeloon kunt gij uw dienaren geven, Heer," zegt hij trotsch,
"of het den armen schenken. Mij wordt alleen mijne kunst betaald."

Met eene fiere houding trad hij achteruit en greep zijn speeltuig,
waarvan hij de snaren spande. Ook zijne dienaren maakten zich
gereed. Daar geeft hij het teeken, en zacht en lieflijk klinken de
tonen door de zaal. Aangenaam worden de edelen getroffen door de
heerlijke muziek, die, hoe het komt, weten zij niet, zonderling hunne
harten beroert. Neen, dat was niet de muziek van de gewone minstreels,
die langs 's Heeren straten zwierven en aan de huizen of taveeren hun
karig loon ophaalden. Het was er zelfs niet mede te vergelijken. Op
onverklaarbare wijze werden zij door de zachte melodieuze tonen
aangegrepen en er door medegesleept. Zij gevoelden het, het was
kunst. Hoor! Daar begon eene andere snaar te trillen, de muziek werd
sterker, wilder, hartstochtelijker. De edelen voelden zich het bloed
onstuimig door de aderen bruisen. Hunne harten begonnen sneller te
kloppen, hunne oogen tintelden van vuur. Al sneller en sneller volgden
de tonen elkander op, al vuriger bruisten de klanken door de zaal --
tot eindelijk een krachtig slotaccoord het einde aankondigde.

Een daverend gejuich ging onder de gasten op en luide werd hunne
kunst geprezen.

Doch de grijsaard scheen geen ooren te hebben voor die
loftuitingen. Peinzend staarde hij, met zijn speeltuig in de hand,
op den grond. Maar de toorn was bij hem geweken, en zijne vochtige
oogen verrieden zijne aandoening. Was ook hij zelf getroffen?

"Brengt wijn voor de minstreels!" riep Heer Aloud. "Zij hebben een
beker verdiend."

Aan dat bevel werd met spoed voldaan, en de jonge speelnooten lieten
zich het parelende druivensap goed smaken. Doch de grijsaard roerde
zijn beker niet aan. Peinzend bleef hij voor zich uitstaren, alsof
hij niets hoorde van hetgeen er om hem voorviel.

Previous Page | Next Page


Books | Photos | Paul Mutton | Wed 30th Sep 2026, 1:40