|
Main
- books.jibble.org
My Books
- IRC Hacks
Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare
External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd
|
books.jibble.org
Previous Page
| Next Page
Page 56
Wist dan de machtige Aloud niet, hoe het kookte en bruiste in de harten
en hoofden der Dordtenaars, die het gejuich van uit de verte konden
hooren? Wist hij het niet, hoe gekrenkt die vrije poorters waren door
zijne trotschheid en heerschzucht, en hoe zij zich in hunne rechten
aangetast achtten door zijn eigenmachtig bestuur? Zag hij niet de
dreigende blikken der voorbijgangers, die vol ergernis en toorn de
vuist tegen het machtige slot ophieven? Hoorde hij niet, hoe hunne
zwaarden kletterden in hunne handen, als zij voorbijgaande het gerest
met eene vreeselijke verwensching op de lippen aangrepen? Begreep
hij niet, de trotsche Aloud, die van de hoogte zijner adellijke
geboorte met minachting neerzag op de vrije poorters, dat hij als
op een vulkaan zat, die inwendig beefde van een gloeiend vuur,
dat weldra zou uitbarsten en hem vernietigen? Neen, wel wist hij,
dat de burgerij hem haatte, maar--wat zou dat? Hij was immers
nog meer gevreesd? Wie zou het durven wagen de hand op te heffen
tegen den gunsteling van den machtigen Van Borselen, die in's Graven
naam het bewind voerde en die zijne handlangers steeds aanmoedigde,
den adel te verheffen ten koste van de burgerij? Wie zou het zwaard
durven trekken om hem te treffen?
Neen, Aloud zat gerust op zijn kasteel Crayenstein, en hij vierde
feest met zijne vrienden. Had hij dan geen reden om te juichen? Had
hij den poorters van Dordrecht hunne grootste rechten niet ontnomen
en hunne wettige privilegi�n geschonden, zonder dat zij zich, een
paar woestelingen uitgezonderd, hadden durven verzetten? En die
woestelingen, waren zij niet voorbeeldig gestraft ten aanschouwe
van de geheele stad, die sidderend van angst het schouwspel had
aangezien, zonder het te durven wagen een enkelen kreet van verzet
te slaken? En had hij heden de stad niet in het hart aangegrepen,
door de Merwede met palen af te zetten, om den handel geheel in zijne
macht te hebben? En toch--toch had niemand zijne stem durven laten
hooren, om zich tegen zooveel willekeur te verzetten. Neen, hij zat
rustig op zijn kasteel Crayenstein, en hij vierde vroolijk feest,
want de fiere poorters hadden deemoedig het hoofd gebogen voor den
machtigen dwingeland. Hij had het bevel zijns meesters ten uitvoer
gebracht. Laat het onder hen gisten en bruisen, laten zij de vuisten
dreigend opheffen, als zij zijn kasteel voorbijgaan, of het zwaard met
trillende hand bij het gevest grijpen, hij vreest hen niet. Zij zullen
het niet wagen, zich tegen hem te verzetten. Zij vreezen zijne wraak.
Vroolijk rammelen de bekers, lustig klinkt het gejuich der gasten en
tergend schatert hun lachen ten koste van de vernederde poorters. De
wijn vloeit bij stroomen en maakt de hoofden warm; men drinkt ter
eere van den Graaf en diens machtigen beheerscher, men zweert den
ondergang der steden.
"Leve Heer Wolfert van Borselen, die den adel zijne vroegere macht
hergeeft! Den dood aan zijne vijanden!"
"Den dood aan IJselstein, die zich durfde verzetten tegen's Graven
wil! Op den ondergang van zijn machtig kasteel!"
"Leve Heer Aloud, die de poorters terugbrengt tot wat zij moeten
zijn: dienaars van ons, Edelen en Ridders! Leve Heer Aloud, die hun
de zweep doet gevoelen!"
Woest worden bij die woorden de bekers tegen elkander gestooten. De
wijn druipt den ridders langs handen en kleederen.
"Leven Van Borselen en zijn trouwe Aloud! Op den ondergang der steden!"
Daar nadert een schildknaap Heer Aloud, en meldt hem, dat een minstreel
met zijne genooten toegang vraagt.
"Een minstreel? Een minstreel?" klinkt het van alle zijden. "Dat hij
binnenkome! Laat hij spelen en zingen! Zang hoort bij wijn en wijn
hoort bij zang. Leve de muziek!"
Doch de schildknaap stoort zich niet aan het geroep der gasten. Hij
wacht het antwoord van Heer Aloud af. "Hij kome binnen!" zegt deze.
Weldra wordt het tapijt opnieuw terzijde geschoven, en onder het
gejuich der gasten treedt de minstreel, door zijne dienaren, vijf
in getal, vergezeld, de zaal binnen. Ieder heeft zijn instrument
onder den arm, Het moet stellig een minstreel zijn van den eersten
rang, want hij, zoowel als zijne genooten, zijn in prachtige, zelfs
kostbare lijfrokken gehuld, en hunne gordelriemen zijn met edelsteenen
versierd. Zij zijn bijna allen nog jong en hunne oogen schitteren
van levenslust. Uit de vrijmoedige blikken, die zij op de edellieden
werpen, spreekt zelfvertrouwen. Zij schijnen er van overtuigd te zijn,
dat zij weldra toegejuicht zullen worden.
Previous Page
| Next Page
|
|