Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden by Kieviet


Main
- books.jibble.org



My Books
- IRC Hacks

Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare

External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd

books.jibble.org

Previous Page | Next Page

Page 42

Dikke IJsbrand had gelijk; 't werd spoedig anders en de verdedigers
kregen de handen vol werk. Vianen liet aan alle kanten tegelijk
aan vallen. Onophoudelijk snorden de pijlen door de lucht, het
kasteel daverde en dreunde van de zware steenen, die tegen de muren
bonsden, en de blijden wierpen bijna zonder tusschenpoozen hun
gevaarlijken inhoud over de muren. Het was daar hoogst gevaarlijk en
de verdedigers trachtten zich zooveel mogelijk te verschuilen. Aan
hunne voorzichtigheid alleen was het dan ook te danken, dat al
laat op den dag nog niemand hunner getroffen was. Toch zaten zij
niet stil. Elk schot van den vijand werd met woeker teruggegeven,
en daar de belegeraars zich onmogelijk steeds gedekt konden houden,
stortte er menigeen doodelijk getroffen ter aarde.

"Dat gaat niet goed!" riep Vianen. "Wacht, ik zal ze wel uit hunne
schuilplaatsen opjagen.--Werpt met blijden brandende stoffen in
den burcht!" gebood hij.

Dat geschiedde. Brandende takkenbossen, begoten met teer, pek of
andere brandbare waar, vlogen als vurige ballen door de lucht en
staken het kasteel op verscheidene plaatsen in brand.

"De boogschutters blijven waar zij zijn," gebood Jonker Jan, toen hij
dat bemerkte. "De overigen blusschen overal het vuur! Brengt ook de
blijden in beweging en werpt alles, wat nog brandt, terug! We nemen
van Vianen geen geschenken aan!"

Nu werd het een verschrikkelijke strijd. De trouwe dienaars verdedigden
zich met waren heldenmoed, en wisten de vlammen spoedig meester te
worden, maar helaas, sommigen hunner stortten ter aarde om nooit
weer op te staan, en weer anderen werden door hevige kwetsuren
voor geruimen tijd buiten gevecht gesteld. De goede Dodo kreeg het
druk met zijne zalfjes en smeersels, maar tot zijne eer moet het
gezegd worden: met de meeste doodsverachting begaf hij zich met zijne
medicijnkast naar de gevaarlijkste plaatsen, als zijne hulp daar noodig
was. Onophoudelijk vlogen de pijlen van en naar den burcht, zware
steenen snorden en gierden door de lucht en beukten tegen de muren,
en brandende takkenbossen vielen als een vurige regen op het kasteel
neder. En onder dat alles klonken de woeste kreten der belegeraars, die
de lucht deden daveren door hun geroep van: "Vianen! Vianen!" terwijl
de verdedigers hun "Voor IJselstein en Bertha!" deden hooren.

De strijd duurde voort, tot de duisternis tot eindigen dwong. De
vermoeide verdedigers kregen nu tijd, om zich te herstellen van hunne
vermoeienis. Toen Bertha hare manschappen na den strijd monsterde,
kwam zij tot de treurige ontdekking, dat vijf van hare krachtigste
dienaren het leven hadden gelaten. De dikke IJsbrand en nog twee
anderen waren zoo ernstig gekwetst, dat zij, de eerste dagen althans,
buiten gevecht waren gesteld.

De dooden werden onder den grootsten lindeboom van de binnenplaats
in aller tegenwoordigheid begraven. Daarna werden de wachten voor
den nacht verdeeld, en begaven de overigen zich ter ruste, om nieuwe
krachten te verzamelen voor den volgenden dag.

Maar toen scheen Vianen geen lust te hebben den strijd te
heropenen. Reeds was het bijna middag en nog was er geen pijl
afgeschoten. Nieuwsgierig vroegen de verdedigers zich af, wat
daarvan de reden kon zijn, doch niemand wist antwoord te geven op die
vraag. Spoedig evenwel werd hunne nieuwsgierigheid bevredigd. Daar
naderde Vianen den burcht, terwijl een dienaar aan zijne zijde door
trompetgeschal aankondigde, dat zijn Heer een onderhoud verlangde.

Jonker Jan begaf zich ijlings naar Bertha, ten einde hare bevelen te
ontvangen. Haar antwoord klonk fier:

"Zeg hem, dat eene Vrouwe uit het Arkelsche Huis met geen verrader
onderhandelt!"

Spoedig was Jonker Jan op den muur. De trompetblazer, Bouke genaamd,
schetterde met een geweld, of hij Vianen van zijn paard wilde blazen.

"Hij mag ons wel hooren," zeide hij. "Hij mocht anders eens denken,
dat we bang waren."

"Wat voert u hierheen, Heer van Vianen?" vroeg de jonker. "Ik eisch,"
antwoordde Vianen met trotsch gebaar, "ik eisch de overgave van
den burcht zoowel als van de bezetting, de teruggave van mijn kind,
dat mij listig ontroofd is, en de uitlevering van mijn lijfeigene,
die op dit kasteel eene toevlucht heeft gezocht."

Previous Page | Next Page


Books | Photos | Paul Mutton | Tue 29th Sep 2026, 6:10