Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden by Kieviet


Main
- books.jibble.org



My Books
- IRC Hacks

Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare

External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd

books.jibble.org

Previous Page | Next Page

Page 41

Onder het slaken van dien oorlogskreet beklommen zij de trappen en
ijlden naar boven, gereed om elken aanval af te slaan.

Doch de vijandelijkheden werden nog niet geopend. De belegeraars, wel
begrijpende, dat het een beleg van langen duur zou zijn, begonnen
tenten op te slaan en hutten te bouwen, waarin zij verblijven
konden. Zorgvuldig hielden zij zich buiten schot.

Zij wilden zich niet bloot geven, voor het noodig was. Vianens tent
was de grootste en was met een prachtig vaandel versierd. Hij spoorde
de krijgslieden voortdurend tot den grootsten spoed aan, want hij
hunkerde naar den aanvang van den strijd. IJselstein moest verwoest
worden, dat stond bij hem vast; hoe machtig het ook was, hij zou
het spoedig tot de overgave dwingen. En wee dan de trotsche Vrouwe,
die den strijd tegen hem durfde aanvaarden!

Op den middag van den volgenden dag kwam er verandering in het
tooneel. De vijanden begonnen voorzichtig den burcht te naderen. Zij
hielden zich verborgen achter breede planken, die op lage wielen
stonden en waarin eene breede gleuf was, die dienen moest, om de pijlen
door te laten, die zij straks op den burcht zouden afschieten. Op
die wijze waren zij voor de verdedigers onzichtbaar en konden dezen
hen niet treffen, dan alleen als de pijl toevallig door de gleuf
vloog. Deze voorwerpen, voor de belegeraars van onberekenbaar veel nut,
werden schietschermen genoemd. Het kasteel werd er aan alle zijden
mede omringd en al spoedig vloog de eerste pijl over den hoogen
burchtmuur, waar hij met zooveel kracht in een luik drong, dat het
moeite zou kosten, hem daaruit te trekken. Ware iemand getroffen,
stellig zou het schot doodelijk geweest zijn.

In een oogenblik hadden de verdedigers wederkeerig hun pijl op den
boog, om het schot te beantwoorden, doch Jonker Jan riep:

"Halt, mannen, niet in het wild schieten. We moeten zuinig zijn
op onzen voorraad, want het beleg kan lang duren. Laten we alleen
schieten als iemand zich bloot geeft."

"Zooals die slimmerd daar!" riep Rolf, de smid, terwijl hij aanlegde
en aftrok. "Ha, die heeft genoeg. Eigen schuld, vriend. Dan moet je
maar beter uitkijken."

"Die was raak, Rolf!" riep Baldric, de brouwer. "Hij blijft stil
liggen. Zou hij nu in eens al genoeg hebben?"

"Terug, bij St. Joris!" riep de Jonker, en 't was tijd ook, dat zij
hunne hoofden in veiligheid brachten, want wel drie of vier pijlen
vlogen dicht bij hen in het houtwerk.

"We rekenen op jouw voortreffelijke rozenzalf, Dodo," lachte Wouter,
de jonge stalknecht. "Zoo lang we daar nog voorraad van hebben,
hindert het niet veel."

"Dat is waar, Wouter," lachte Dodo terug, "maar het zou toch jammer
wezen van je mooien krullebol, als er daar een doorheen vloog!"

"Jelui hebt goed grappenmaken," zeide de dikke IJsbrand, een van Heer
Gijsbrechts pachters. "'t Is nog maar een voorspelletje. Wacht maar,
de lust tot lachen zal je straks wel vergaan. Ginds richten zij
de blijden reeds op en daar, aan de andere zijde, wordt de kat in
elkander geslagen. Als ze daarmede gereed zijn, zullen we de handen
vol werk krijgen."

Inderdaad waren de vijanden bezig, die geduchte werktuigen in orde
te brengen. Een blijde was een balk, die, evenals een wip, om eene
spil draaide, maar de eene arm was zeer kort en droeg een bak met
zware steenen. Aan den langen arm was ook een bak, waarin ��n of
twee steenen werden gelegd. Als nu de lange arm, van het kasteel af,
naar beneden getrokken en dan losgelaten werd, vloog hij, door de
zwaarte aan de andere zijde, met groote snelheid omhoog en wierp
den inhoud van den bovensten bak met ontzettende kracht tegen of in
het kasteel. Met zulke werktuigen konden groote verwoestingen worden
aangericht en sommigen wisten er zeer juist mede te treffen.

Nog gevaarlijker echter was het tweede straks genoemde werktuig,
de kat genaamd, Het had den vorm van eene groote schuur, die van
boven met versche koehuiden was bedekt, teneinde tegen vuur bestand
te zijn. Zulk eene kat werd op balken, door de lieden, die er in
plaats genomen hadden, langzaam vooruit geschoven, totdat zij, de
gracht had bereikt, die het kasteel omringde. Zij bevatte alles, wat
noodig was, om die gracht te dempen. Was er een gedeelte dichtgeworpen,
dan schoof de kat weer langzaam verder, om het dempingswerk voort te
zetten, tot het eindelijk voltooid en de kat het kasteel genaderd
was. Dan bracht men den ram in beweging. Dat was een zware balk,
met ijzer beslagen, die aan kettingen in de kat hing. Die balk werd
met vereende kracht achteruit getrokken en plotseling losgelaten,
waardoor hij dan met zooveel kracht tegen den kasteelmuur beukte,
dat de steenen in het rond vlogen. De sterkste muren waren op den
duur niet tegen dat rammeien bestand.

Previous Page | Next Page


Books | Photos | Paul Mutton | Tue 29th Sep 2026, 5:01