Fulco de Minstreel: Een historisch verhaal uit den tijd van Graaf Jan I voor jongelieden by Kieviet


Main
- books.jibble.org



My Books
- IRC Hacks

Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare

External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd

books.jibble.org

Previous Page | Next Page

Page 60

Ook daar vierde men feest, en zooals het gewoonlijk gaat, de dienaars
volgden het voorbeeld hunner meesters maar al te getrouw. Ja,
zij overtroffen hen zelfs in ruwheid en losbandigheid. Een enkele
oogopslag was voldoende om den minstreel te doen zien, dat de vurige
wijn zijne uitwerking deed. Sommige bedienden waren zelfs zoozeer
door het druivensap bevangen, dat hun hoofd machteloos op de tafel
ne�rgezonken was. Een diepe, benauwde slaap had zich van hen meester
gemaakt. Maar des te woester waren zij, die nog niet volslagen dronken
genoemd konden worden. De grofste aardigheden werden met een uitbundig
gejoel begroet, de vreeselijkste taal en de flauwste aardigheden het
meest toegejuicht. 't Was in ��n woord een tooneel van ruwheid en
dronkenschap, zooals in die dagen maar al te veel in de adellijke
burchten werd aangetroffen.

"Heer Aloud beveelt," riep de schildknaap, "dat het dezen minstreels
aan niets ontbreke, en men verleene hun een nachtverblijf!"

"Welkom, brave zangers, welkom!" riep de dikke keldermeester, die nu
geen last van kiespijn scheen te hebben, hun toe. "Nu krijgen ook wij
ons lied, evengoed als de groote heeren in de burchtzaal. Gaat zitten,
gaat zitten, en laat uwe kunst hooren. Maar 't moet wat moois wezen,
hoor."

"Eerst een beker!" riep Sjoerd, de paardenboef. "Eerst een beker! Met
eene droge keel kan niemand zingen! Komt, mannen, schikt bij; wij zijne
vroolijke jongens onder elkander, en al hebben we reeds een goeden
voorraad binnen,"--hier wees hij lachend op hen, die het drinken
al hadden moeten opgeven en door den slaap overmeesterd waren, --
"wij durven nog wel om het meest. Komt, wie het laatst onder tafel
ligt, niet waar, Coenraad?"

"Zeker!" riep de dikke keldermeester, "ik durf het nog best aan. Ik
moet mijn meester nog vinden!"

"In 't drinken, wel te verstaan," riep Sjoerd lachend. De jonge
minstreels lieten zich geen tweemaal noodigen. Onder vroolijke
kwinkslagen namen zij tusschen de bedienden plaats, en hieven al
spoedig de bekers even lustig als hunne tafelgenooten. Wel was hunne
taal niet zoo ruw en losbandig als van de anderen, wel toonden zij
duidelijk, dat zij beschaafder waren, maar van den beker toonden zij
zich in het geheel niet afkeerig. Onophoudelijk stootten zij met hunne
buren aan en onder vroolijk gesnap dronken zij het edele druivensap
met volle teugen.

Lustig klonken nu eens hunne vroolijk liedjes, waarbij iedereen het
refrein met den vollen beker in de hand medezong, dan weer grepen
zij hunne instrumenten en speelden hunne joligste stukjes.

't Was een feest, zooals de dienaren van Heer Aloud maar zelden hadden
bijgewoond; en wat nog bijna het meest hunne bewondering opwekte,
was, dat de nieuwe gasten in het drinken volstrekt niet voor hen
behoefden onder te doen. Zelfs de keldermeester, die, ongetwijfeld door
veelvuldige oefening, eene ongelooflijke hoeveelheid verzwelgen kon,
zonder dronken te worden, begon het te kwaad te krijgen. Wel zong en
schreeuwde hij dapper mede, maar zijne knie�n begonnen te knikken,
zijne oogen werden doffer en wezenloozer, zijn hoofd duizelde, zijne
tong sloeg dubbel.

Er was er maar ��n, die niet deelnam aan de braspartij, ja, die
nu en dan zelfs met afkeer het schouwspel aanzag. Het was de oude
minstreel. Een enkele maal had hij zijne waarschuwende stem laten
hooren en tot meer matigheid aangespoord. Doch niemand stoorde zich
aan den eenzelvigen grijsaard, die in een hoek, dicht bij den haard,
had plaats genomen en daar bijna voortdurend zwijgend in het vuur
staarde. Wel bespotte men hem n�et, waartoe men misschien weerhouden
werd door zijn eerbiedwaardig uiterlijk, maar zijn goeden raad sloeg
men in den wind. Zelfs zijn eigen volgelingen luisterden niet naar
hem, maar gingen gestadig voort te klinken en tot drinken aan te
sporen. Telkens hieven zij den beker om de gezondheid van den braven
keldermeester te drinken, en eindelijk maakten zij zich zelfs meester
van de schenkkannen en zorgden er voor, dat niemand den bodem van
zijn beker kon zien. En de keldermeester, die meer en meer begon te
voelen, dat hij eindelijk niet ��n, maar wel vijf meesters in het
drinken gevonden had, liet die taak gaarne aan hen over.

Hij begon bang te worden, om het zelf te doen, daar de kan hem uit
de vingers en hij zelf onder de tafel dreigde te vallen. Wat zouden
ze hem dan uitlachen!

Toch, had de dikke keldermeester beter uit de benevelde oogen gekeken,
wellicht zou hij zelf dan schenker gebleven zijn, want wel spoorden de
lustige zangers hem onophoudelijk tot drinken aan en stond zijn kroes
geen oogenblik ledig, maar zelf dronken de minstreels niet zooveel,
als het wel scheen. Hunne kroezen waren nog lang niet ledig, als zij
die weer vol schonken, en dikwijls kwam er zelfs geen droppel wijn over
hunne lippen, als zij zich hielden, of zij met volle teugen dronken.

Previous Page | Next Page


Books | Photos | Paul Mutton | Wed 30th Sep 2026, 6:01