Naar het middelpunt der Aarde by Jules Verne


Main
- books.jibble.org



My Books
- IRC Hacks

Misc. Articles
- Meaning of Jibble
- M4 Su Doku
- Computer Scrapbooking
- Setting up Java
- Bootable Java
- Cookies in Java
- Dynamic Graphs
- Social Shakespeare

External Links
- Paul Mutton
- Jibble Photo Gallery
- Jibble Forums
- Google Landmarks
- Jibble Shop
- Free Books
- Intershot Ltd

books.jibble.org

Previous Page | Next Page

Page 11

Ik was dus gerust over dit heldhaftige middel om het vraagstuk op
te lossen.

Intusschen verliep de tijd; het werd nacht; het gerucht op straat
hield op; steeds over zijn werk gebukt zag mijn oom niets, zelfs de
goede Martha niet, die de deur half opende; hij hoorde niets, zelfs
de stem dezer waardige dienstbode niet die vroeg:

"Zal Mijnheer dezen avond eten?"

Martha moest zonder antwoord heengaan; ik voor mij, na mij eenigen
tijd er tegen verzet te hebben, werd door den slaap overmand en sliep
in op het einde van de canap�, terwijl oom Lidenbrock nog maar altijd
berekende en doorschrapte.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was de onvermoeide werkezel nog
aan den arbeid. Zijne roode oogen, zijn bleek gezicht, zijne haren,
waarin hij met eene koortsige hand had gewoeld, de purperroode rand
onder zijne oogen bewezen genoegzaam zijne verschrikkelijke worsteling
met het onmogelijke, en onder welk eene vermoeinis van zijn geest en
inspanning van zijne hersenen de uren voor hem moesten verloopen zijn.

Ik kreeg waarlijk medelijden met hem. In weerwil van de verwijten,
die ik het recht meende te hebben om hem te doen, gevoelde ik zekere
aandoening. De arme man werd zoo door zijne gedachten overheerscht,
dat hij vergat om boos te worden; al zijne levenskrachten trokken zich
op ��n punt samen, en daar zij niet door hare gewone veiligheidsklep
ontsnapten, stond het te vreezen dat hare spanning hem binnen kort
zou doen springen.

Ik kon door een gebaar, door een woord slechts die ijzeren schroef
losmaken, die op zijne hersenpan drukte. En ik deed het niet!

Mijn hart was toch goed genoeg. Waarom bleef ik dan stom in zulk een
geval? In het belang van mijn oom.

"Neen, neen!" herhaalde ik, "neen, ik zal niet spreken! Hij zou er
heen willen gaan, ik ken hem; niets zou hem kunnen tegenhouden. Hij
heeft eene vulkanische verbeeldingskracht, en om te doen wat andere
geologen niet gedaan hebben, zou hij zijn leven wagen. Ik zal zwijgen,
ik zal het geheim bewaren, waarvan het toeval mij bezitter heeft
gemaakt; het te ontdekken zou zoo goed zijn als professor Lidenbrock
te dooden. Laat hij het raden, als hij kan, ik wil mij later niet te
verwijten hebben, dat ik hem in het verderf heb gestort!"

Nadat ik hieromtrent tot een besluit was gekomen, sloeg ik de armen
over elkaar en wachtte. Maar ik had niet op een voorval gerekend,
dat eenige uren later plaats had.

Toen de goede Martha het huis wilde verlaten om naar de markt te gaan,
vond zij de deur gesloten; de huissleutel stak niet in het slot. Wie
had hem er uitgenomen? Stellig mijn oom, toen hij den vorigen avond
van zijn haastig uitstapje was teruggekomen.

Was het met voordacht? Was het bij vergissing? Wilde hij ons de
kwellingen van den honger laten ondergaan? Dat dacht mij toch wat al
te erg. Hoe! Martha en ik zouden de offers zijn van een toestand,
die ons niet het minste aanging? Zonder twijfel, en ik herinnerde
mij een vroeger voorval, dat wel geschikt was om ons vrees aan te
jagen. Eenige jaren geleden toch, op een tijdstip dat mijn oom werkte
aan zijn groote mineralogische classificatie, bleef hij acht en veertig
uur zonder voedsel, en het geheele huisgezin moest zich onderwerpen aan
die wetenschappelijke hongerkuur. Ik voor mij kreeg er een maagkramp
door, die niet zeer aangenaam was voor een vrij eetlustigen jongen.

Het scheen mij dus toe, dat het ontbijt even zoo zou uitblijven als
het vorige avondeten. Ik besloot echter mijn moed te toonen, en niet te
wijken voor de eischen der maag. Martha trok het zich zeer aan en werd
bedroefd, die goede vrouw! Wat mij aangaat, de onmogelijkheid om het
huis te verlaten hield mij en terecht meer bezig. Men begrijpt mij wel.

Mijn oom werkte gestadig door; zijn verbeelding verloor zich in de
denkbeeldige wereld der verbindingen; hij leefde ver buiten de aarde
en gevoelde werkelijk geen aardsche behoeften.

Tegen den middag prikkelde de honger mij hevig; Martha had, in hare
eenvoudigheid, den vorigen avond den voorraad der etenskast geplunderd;
er was niets meer in huis. Toch hield ik mij goed. Ik maakte er eene
soort van punt van eer van.

Previous Page | Next Page


Books | Photos | Paul Mutton | Sat 21st Mar 2026, 20:03